Door: Mirjam Boersema-de Vries
‘Didactiek en tieneronderwijs’ is een hoofdstuk uit het ‘Basisdocument tieneronderwijs’, ontwikkelt in samenwerking tussen onderwijswerkveld en Driestar hogeschool. We zullen ons wat betreft de didactiek richten op het oudere kind. We streven naar een doorlopende leerlijn tussen po en vo. Op dit moment zien we dat er in het po meer ruimte is voor een goede begeleiding van de leerling en de pedagogisch-didactische kennis. Leraren hebben de hele dag te maken met hun klas, waardoor ze hun leerlingen goed kennen en daardoor gemakkelijker kunnen aansluiten op de leerbehoeftes van de verschillende leerlingen. Er wordt vaker gebruik gemaakt van een gemeenschappelijke teamaanpak met heldere afspraken over de manier van lesgeven.
In het vo ligt doorgaans meer de nadruk op de vakdidactiek. Hier zijn de aanpakken van de lessen doorgaans meer individueel en verschillend per vakdocent. Door een doorgaande lijn neer te zetten bij het tieneronderwijs, met aandacht voor pedagogische- en vakdidactiek hopen we inzichten en handvaten te geven voor de docenten in zowel het po als het vo.
Iedereen beaamt dat je een kind niet alleen bij het zwembad laat, eer het zwemdiploma behaald is. Zo’n “vrijbrief” om zelfstandig te zwemmen wordt in etappes behaald. Eerst in het ondiepe, samen met de juf en uiteindelijk zelfstandig in het diepe bad met de bad juf op de rand om te coachen om er in te springen wanneer dat nodig is. Zo gaat het in feite ook met onderwijzen. Onderwijs valt of staat met een goede didactiek.
Didactiek gaat over het professioneel handelen van de leraar. Het is de theorie van kennisoverdracht, aanleren van vaardigheden en inzicht. Daarbij is het belangrijk om de vraag te stellen: hoe zorgt de leraar ervoor dat de leerling leert. Dit komt in feite neer op het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van de les en het leren van de leerlingen. Kortom, het gaat over de rol van de leraar en die van de leerling.
Rosenshine heeft een onderzoek gedaan naar gedragingen van de meest effectieve leraren wat zeventien principes voor instructie opleverden. Ook Kyriakides en Creemers komen op soortgelijke gedragingen. Deze principes/gedragingen vind je onder andere terug in “De twaalf bouwstenen voor effectieve didactiek” (Surma et al., Ten Brink 2019). Ook in het boek “Op de schouders van reuzen” (Kirschner et al., 2018) worden inzichten over effectief onderwijs gedeeld in de vorm van 24 sleutelwerken.
We gaan een aantal didactische en cognitieve principes vanuit deze literatuur uitwerken met de link naar aanbevelingen met betrekking tot het lesgeven aan het oudere kind/de tiener.
“Kleur bekennen”
Didactiek houdt zich bezig met onderwijzend handelen dat het leren van waardevolle zaken bevordert. Wat we waardevol achten, wordt mede bepaald door onze geloofsovertuigingen, onze waarden en onze wereldbeschouwing. Didactiek is meer dan een gereedschapskist met middelen en kan dus nooit neutraal zijn. (DeMuynk, 2021) In de didactische diamant vind je zeven principes die handvaten geven om een gewone les te geven vanuit christelijk perspectief. Daarbij gaat het om een samenhang van de verschillende principes 1 en 2, waarbij je meer doet met minder. Hierbij kies je wat belangrijk is door middel van scharnierpunten, de essentie van je les. Bij de principes 3,4 en 5 maak je gebruik van authentieke bronnen, het cultiveren van aandacht en het betrekken van de hele leerling. Het hart moet worden geraakt, de handen gebruikt en het hoofd ingezet. De principes 6 en 7 kleuren de eerste 5. Zij zijn gericht op tekenen van hoop en verlossing en gaan tegen de onchristelijke tendensen in. (Murre, 2021)
We hebben het in deze bouwsteen voornamelijk over de algemene zin van didactiek maar het is goed om in de praktijk je lessen te bekijken door “bril” van deze Didactische diamant.
Voorbereiden
Bij goed onderwijs staat de leerkracht centraal, durf te onderwijzen!
bron 1
Bij het voorbereiden van een goede les is het zaak om rekening te houden met een vast lesplan. Bij bron 1 zie je het didactische model van Van Gelder wat een goede basis vormt om een les op te zetten. (Van Gelder et al., 1973). Bij het po zien we momenteel meer aandacht voor differentiatie binnen de laag: leervormen, didactische werkvormen en leeractiviteiten. In deze bouwsteen willen we handvaten geven om deze onderdelen ook in het tieneronderwijs meer te integreren.
Didactische principes
Je herkent vast de gedachte: als ik toch geen klas van ruim dertig leerlingen had, maar één op één les kon geven, zouden mijn lessen veel beter gaan. Helaas is dit in de praktijk een droom maar geen werkelijkheid. Is er dan geen hoop op goede lessen in grotere klassen? Zeker wel! Er zijn meerdere effectieve instructiemethoden die het effect van één op één onderwijs benaderen. Bloom is één van de personen die op zoek is gegaan naar deze methoden. De uitkomsten van zijn onderzoek vind je in “Op schouders van reuzen” (Kirschner et al., 2018).
Er bestaan veel verschillende visies op onderwijs. In diverse onderzoeken is gebleken dat directe instructie bewezen effectief is. De uitkomsten van de onderzoeken waren helder en overtuigend: leerlingen die les hadden gekregen volgens de standpunten van directe instructie hadden significant meer geleerd dan de leerlingen bij de overige aanpakken. Met als ander voordeel dat het zelfvertrouwen van deze leerlingen groter was en ze waren beter in het oplossen van complexe problemen. (Schmeier, 2021)
Effectieve instructie bestaat uit een aantal vaste lesonderdelen, aangevuld met technieken. Het doel is om de leerstof succesvol aan te leren aan zowel de sterke, gemiddelde, als risicoleerlingen. Door te werken met vaste lesonderdelen en daarbij verschillende technieken te gebruiken, houd je rekening met de beperkte aandachtspanne van de jongere. Door de verschillende technieken afwisselend en in een vlot tempo toe te passen, voorkom je dat leerlingen afdwalen of andere dingen gaan doen. Zeker ook bij de jongere die zo snel afgeleid is. Ze worden letterlijk en figuurlijk bij de les gehouden en leren daardoor meer. Het brein van de jongeren is voorgeprogrammeerd om nieuwe dingen te ontdekken en ervaringen op te doen. Dan moeten ze wel voldoende uitgedaagd worden, zodat ze hun volle potentieel kunnen ontplooien. Het is daarom belangrijk om onze jeugd adequaat te stimuleren en te prikkelen en ze in hun groeiproces te begeleiden. Voor de zich ontwikkelende tiener betekent dat een inzet op persoonlijke groei en brede interesses. Ontwikkeling van hun handelen, denkvaardigheden, kennis en interesses is dus even belangrijk als om in te zetten op de klassieke schoolprestaties (Jolles,2017).
Effectieve instructie bevat een aantal principes die handvaten geven om hierop aan te sluiten hieronder werken wij er zes uit.
Principes effectieve instructie
- Stel doelen
Iedere leerling heeft andere drijfveren. Bij tieners zien we dat ze doorgaans minder gemotiveerd zijn voor schoolse zaken en meer gericht zijn op alles wat om hen heen gebeurt. Daarom is het belangrijk om ook bij deze doelgroep doelen te stellen. Een oriëntatie op het leren zelf zal leerlingen helpen een intrinsieke motivatie voor een bepaald vak of een bepaalde taak te ontwikkelen ( P. Kirschner, e.a , 2018).
Een lesdoel zorgt ervoor dat een les geen bezigheid is, maar dat er doelgericht onderwezen en geleerd wordt. Ook zorgt het ervoor dat alle leerlingen de kans krijgen om succesvol mee te doen. De leerkracht moet goed nadenken over welke kennis, vaardigheden en begrip er nodig zijn om uiteindelijk de lesstof zelfstandig te kunnen verwerken. Bij het opstellen van een lesdoel zie je principe één van de didactische diamant: Doe meer met minder. Liever minder en diepgaander. Dus maak je leerdoel: compact- concreet – controleerbaar. Tijdens je les deel je het lesdoel met de leerlingen. Het formuleren van een lesdoel is belangrijk, maar het delen ervan is net zo belangrijk. Op die manier kan je ook gerichte feedback geven tijdens je les.
Een groot risico is om te veel te willen doen in te weinig tijd en daarmee uiteindelijk weinig van waarde te bereiken. De kunst is om het omgekeerde te doen, minder maar diepgaander, en om daar de tijd voor te nemen. Meer lesgeven met minder dus. (P.Murre, 2021)
Bij het bepalen van het lesdoel is het belangrijk om aan te sluiten bij de zone van naaste ontwikkeling. Het is belangrijk om je les uitdagend te maken. Niet te gemakkelijk en niet te moeilijk zodat iedere leerling de volgende stap kan maken en een succeservaring op kan doen.
- Activeren relevante voorkennis
Wat je al weet, bepaalt wat en hoe snel je leert. Jij hebt als leerkracht een doel bepaald. De leerling krijgt een opdracht die aansluit bij dit doel, maar waar ze de benodigde kennis al bezitten. Deze kennis wordt hierdoor vanuit het langetermijngeheugen in het werkgeheugen geplaatst, zodat hierop nieuwe kennis kan worden gebouwd. Herhaling is belangrijk om paden in de informatieverwerking te slijten en verbindingen te leggen. (Jolles, 2017) Nieuwe informatie onthoud je immers beter wanneer ze kleeft aan voorkennis. Bij het activeren van voorkennis kan je diverse werkvormen inzetten. Het activeren van voorkennis sluit je altijd af door uit te leggen wat precies het verband is tussen wat ze al weten en wat ze deze les gaan leren.
- Effectieve Instructie
Hoe ziet een goede instructie eruit en hoe sluit je aan bij de jongere?
Je kan op verschillende manieren instructie geven: uitleggen, handelen of hardop denken. Welke vorm je kiest is afhankelijk van het doel en de inhoud van de les. Kortom: de leerstof bepaalt welke instructievorm je kiest.
Besteed voldoende tijd aan duidelijke, gestructureerde en uitdagende instructie. Als leerlingen niet begrijpen wat er geleerd moet worden, wordt leren lastig. Afgebakende lesfasen brengen structuur. Uitdagende doelen en een snel lestempo in een warm leerklimaat motiveren je leerlingen. (Surma et al., 2019) Sluit aan bij de zone van naaste ontwikkeling en doe een stapje terug als je ziet dat een jongere bepaalde taken zelf kan oppakken.
Je deelt als leerkracht jouw kennis met de leerlingen. Je onderwijst expliciet hoe je het lesdoel bereikt en ondersteunt je uitleg met bordwerk of materialen. Hierbij kan visualisatie ervoor zorgen dat informatie beter blijft hangen bij de jongere (Jolles). Ons geheugen heeft er baat bij om informatie zowel visueel als in taal aangeboden te krijgen. Kies als leraar waar mogelijk voor een authentiek fenomeen (P.Murre, 2021). Een echte plant is beter dan een plaatje van een plant, spreek dus tot de verbeelding bij leerlingen. Door tijdens je instructie uitgewerkte voorbeelden bij leesteksten te gebruiken maak je de leerstof ook visueel. Je toont stapsgewijs aan hoe je een probleem aanpakt. De leerkracht is de expert en de leerling de beginner. Laat het voorbeeld overnemen en stel controle van begrip vragen om te kijken of de leerlingen jouw uitgewerkte voorbeeld begrijpen.
- De leerling aan zet
Tijdens het geven van instructie is de leerkracht sturend en leidend geweest, de leerkracht is expert. Een volgende belangrijke fase is de begeleide in oefening. Je schuift de verantwoordelijkheid van de leerkracht naar de leerlingen. Eerst werk je samen met de leerlingen één of meerdere voorbeelden uit. De leerlingen doen jou dus exact na, op deze manier wordt het werkgeheugen niet te zwaar belast en kunnen ze zich de vaardigheid eigen maken.
Wees voorzichtig met zelfsturing: ook tieners moeten eerst een vaardigheid leren onder jouw begeleiding.
Tijdens instructie waren de leerlingen al geactiveerd, maar tijdens de begeleide in oefening gaan de leerlingen veel actiever deelnemen. De leerlingen werken voorbeelden uit die aansluiten bij het lesdoel. Door een afwisseling van luisteren, schrijven, kijken, overleggen en het beantwoorden van vragen, is deze fase afwisselend en in hoge mate interactief. Hierbij houd je rekening met de zeer beperkte aandachtspanne van de jongere.
Controleer als docent wat de leerlingen doen, handel formatief. Naarmate je meer begrip vaststelt, draag je meer de verantwoordelijkheid over en laat je de leerlingen samen een voorbeeld uitwerken. Met deze handelingen achterhaal je of de hele klas het begrepen heeft en je geeft feedback die leerlingen aan het denken zet. Een tiener vind het lastig om te reflecteren op zichzelf en zijn handelingen. Hier oefen je zelfreflectie, geef je zelfvertrouwen en laat je de leerling tot succeservaringen komen.
Verandering van spijs doet eten.
Zorg bij het oefenen van de lesstof voor een variatie in oefeningen. Leerlingen leren hierdoor diverse oplossingsstrategieën te gebruiken. (Surma et al., 2019) Maak ook gebruik van coöperatieve werkvormen, van en met elkaar leren is heel leerzaam. Differentieer in de verwerkingsopdrachten op niveau, passend bij de leerlingen.
- Check!
Misschien herken je het wel: je hebt voor je gevoel heel goed lesgegeven, maar ziet het bij het nakijken van de toets onvoldoendes “regenen”. Een manier om dit voor te zijn is formatief handelen.
Formatief handelen is een didactisch proces wat gebruikt kan worden om je les nog effectiever te maken. Hierbij volg je een aantal principes waarbij je een proces doorloopt om te bepalen waar leerlingen staan ten opzichte van het lesdoel. Hierdoor kan je als docent gerichte feedback geven wat resulteert in een aantal voordelen. Te weten:
- je kan je onderwijsproces effectiever sturen;
- het draagt bij aan motivatie;
- het zorgt voor een beter en diepgewortelder begrip van de lesstof;
- het bevordert zelfregulatievaardigheden van leerlingen;
- het zorgt voor hoger onderwijskwaliteit.
(Kneyber e.a., 2022)
De cyclus van formatief handelen pas je gedurende de hele les toe. Belangrijk is om het proces van formatief handelen volledig te doorlopen.
Tijdens het formatief handelen geef je feedback. Maak gebruik van succesfeedback, waarbij je de nadruk legt op sterke punten. Maar ook van interventiefeedback, meer gericht op begeleiden. Hierbij is het belangrijk dat je ‘leren’ centraal stelt in plaats van ‘weten’. Zo ontdekken leerlingen dat ze kunnen groeien. (Surma et al., 2019)
Zodra een leerling ouder wordt, wordt sneller gedacht dat ze zelf kunnen reflecteren. Toch moet dit nog sterk ontwikkeld worden. Werk aan het zelfinzicht van de adolescent door hem of haar regelmatig naar zichzelf en het eigen gedrag te laten kijken. Leer daarbij analyseren (wat gebeurt er?) en verwoorden.
(Voor voorbeelden en uitgebreide uitleg bij de verschillende principes verwijzen we naar de diverse boeken die gebruikt zijn bij het schrijven van deze bouwsteen.)
- Executieve functies
Voor doelgericht gedrag en denken heb je je hersenen nodig. Voor het plannen, uitvoeren en evalueren van een complex plan is een flinke dosis abstraherend vermogen nodig en dit moet een leerling leren, dat kost tijd. Hoe zit het met de het aanleren van vaardigheden (bruikbaar in de samenleving) van een tiener? Bij een normale ontwikkeling leert hij in de adolescentie: doelen stellen, zelfinzicht, handelingsplan met meerdere opties maken, minimaal drie soorten handelingsplannen onderscheiden, kiezen voor later. Kortom: de ontwikkeling van executieve functies.
De belangrijkste executieve functies hebben te maken met vijf domeinen :
- het gecontroleerd verwerken van zintuiglijke prikkels uit lichaam en omgeving (impulsbeheersing);
- verwerken van de emotionele en motivationele waarde;
- doelen stellen, kiezen en handelen;
- de persoon zelf;
- sociale groep en samenleving.
Voor effectief leren is emotionele betrokkenheid essentieel.
Veel van wat op school gebeurt, krijgt bij de tiener een uitroepteken in de hersenen. Hun limbisch systeem zegt: ‘dit is vervelend. Dit is saaaai. Vooral niet opslaan voor later…’ Voor veel tieners leidt dit ertoe dat alles wat met school samenhangt weinig efficiënt in het geheugen opgeslagen wordt. Het kan zelfs op contraproductieve wijze opgeslagen worden. ‘Als het met school en leren samenhangt, dan zal het wel vervelend zijn. ‘ Gepersonaliseerd leren biedt uitkomst.
Oftewel: meer aandacht, meer feedback! Er moet geïnvesteerd worden in het vergroten van de emotionele betrokkenheid van de leerling.
Twee hersensystemen moeten dan aangesproken worden:
- logisch denken, plannen en organiseren, kiezen en het nemen van rationele beslissingen. Dit is belangrijk bij executieve functies;
- emotionele overwegingen en de emotionele inkleuring van gedrag.
Deze executieve functies ontwikkel je door feedback en coaching. Niet door zelfstandig leren, dat is te belastend. Een soort extern geheugen. En…de omgeving helpt met het verwoorden van emotionele consequenties, op een respectvolle manier. (Jolles, 2017)
Tot slot: wat werkt?
De kwaliteit van vakmanschap van leraren staat hierbij centraal. Uit vele onderzoeken is gebleken dat vakmanschap van leraren twee keer meer invloed heeft op de leerresultaten van leerlingen dan het effect van een school. Waar ligt de sleutel voor succes?
De leraar!
Bronnen bouwsteen 4 ‘didactiek’
- T. Surma e.a. (2019).Wijze lessen, twaalf bouwstenen voor effectieve didactiek, Ten Brink uitgevers
- M. Schmeier (2021) Expliciete Directe Instructie 2.0, Uitgeverij Pica
- P.Murre (2021). De didactische diamant, artikel DRS november 2021
- B. de Muynk e.a. (2021). Gidsen, een christelijke schoolpedagogiek, Kokboekencentrum
- Jelle Jolles (2017), Het tienerbrein, Amsterdam University Press
- P. Kirschner, e.a (2018) , Op de schouders van reuzen, Ten Brink Uitgevers
- Kneyber e.a. (2022). Formatief handelen van instrument naar ontwerp, Phronese
- Van Gelder, L., Oudkerk Pool, T., Peters, J., & Sixma, J. (1973). Didactische analyse, Wolters-Noordhoff.
